Adelboden

Een warm Alpenlied

Daar – bijna aan het einde van het dal – ligt Adelboden, een stadje in de Zwitserse Alpen, een ideaal oord voor een tussendoor vakantie. Voor diegenen onder u die houden van wandelen in lentesferen, trotteren in zomerluchten, zwerven in herfstmisten of druilen in de winter is dit het perfecte adelaarsnest, weg uit het dagelijks leven.
Het is schier onmogelijk om hier niet op te gaan in de beleving van de bijna stilstaande tijd, om te verdwijnen in een herinnering aan een moment dat men niet zelf gekend heeft maar waar men op een of andere manier toch alles van lijkt te weten. Het is een plaats waar men wordt teruggeworpen in een simpele één op één relatie: er is de berg en er is ik.
Doordat er maar twee zaken zijn in zo’n relatie, kunnen ze beiden heel groot worden. Het zijn niet alleen de bergen die groot zijn, men wordt er zelf ook groot. Al dat beleven en al die gevoelens die worden opgeroepen maken dat men er groeit in zichzelf. Van binnenuit.
Hier is geen beau monde te vinden, geen extreme skikampioenen, geen fanatieke ornithologen of internationale verdedigers van de alpenflora. Hier zijn slechts gewoon mensen zoals u en ik, die graag wat meemaken en verstild willen zijn van gewone dagelijkse dingen die nog niet zo diep tot ons waren doorgedrongen.

We hebben zoals altijd intrek genomen in een charmant hotel met de veelbelovende naam Bellevue, een huis dat vroeger als kuuroord dienst deed en sinds lang een familiebedrijf is waardoor men er tot in details een service treft die de gasten een thuisgevoel geeft. Vanaf het vroegste ontbijt tot de late koffie bij de open haard.
Als we die dag op weg gaan is het vrij mooi weer. Het zou dit en het zou dat, maar de lucht is mooi blauw en er rollen witte snelle wolken over de bergranden heen. Alles beweegt in de lucht en ik zeg tegen P. dat zoiets mooi weer voorspelt. Je ziet de elementen er naar toe werken als het ware. Of dat dan andersom ook waar is, vraagt P. nog, maar ik geef geen antwoord. Hier in de bergen, op 1990 meter hoogte, moet je alleen nog maar vertrouwen hebben. In elkaar, in het weer, in de omstandigheden, in alles. Om dat te bewijzen heb ik vanochtend mijn hoogtevrees overwonnen.
Nou ja, het kwam in de buurt, het was toch een soort zege. Ik verdien niet direct een lauwerkrans ter verbanning van de acrofobie, maar voor mezelf is het natuurlijk al een hele triomf. Eigenlijk is het eerder zo dat ik de hoogtevrees heb genegeerd. Daar kan ie niet tegen, de hoogtevrees, dat zeg ik er maar onmiddellijk bij voor het geval iemand het ook wil proberen. Hij slaat na afloop nog harder en onverbiddelijker toe.

Het is de bedoeling dat wij de alpenfloraroute gaan lopen en om niet alle energie al kwijt te zijn bij bovenkomst, besluiten we geen nutteloze tijd te verspillen aan het naar boven wandelen, maar nemen de lift, de skilift. Een skilift is op zich een zeer nuttig vervoermiddel, omdat het zelf blijft staan en alleen de reizigers naar hun doel gebracht worden. Ingenieus dus.
Geen massaverplaatsingen, geen parkeerplaatsen, alles mit der Ruhe. Er is maar één probleem, je hangt als mens in een klein metalen gondeltje. Het heeft wel iets intiems om met z’n vieren op enkele meters hoogte te hangen, zeker als je de anderen niet kent. Soms overbrugt het traject wel eens een ravijntje of kloofje, soms een dalletje en dat is dan voor een hoogtevreesminnende persoon toch wel erg hoog.
Wat ik doe is mezelf in het midden van het bankje van de gondel zetten en mijn blik op een vaag punt in de verte focussen. Dat ligt zo ongeveer bij de bovenste kegels van de sparrenbomen. Ik zet een zo neutraal mogelijk gezicht op en begin binnen in mijn hoofd, tegen de sparrenkegels te praten. Rustig en beheerst. Ik vraag ze hoe het is om daar zo te hangen, wat voor beroemdheden ze hier zoal voorbij zien komen – wist u dat veel popzangers skiën? – en hoe het met de weersverwachtingen is. De meesten zijn erg gelukkig en vermoeden dat ze hier nog heel lang zullen kunnen blijven. Er schijnt ook een soort organisatiestructuur in hun samenleving te bestaan, met zelfs hiërarchische machtsverdelingen maar dat is mij niet helemaal duidelijk geworden. Want ik ben natuurlijk tegelijkertijd met mezelf aan het praten (Niet naar beneden kijken! Niet opzij kijken!) en aan mijn vrouw de indruk aan het geven dat ik naar haar reisbeschrijving aan het luisteren ben. Zij heeft zich weer helemaal voorbereid op deze trip en wil alle kennis met me delen.
 
Ik begrijp wel uit het koor der houtige bloeiwijze van deze sparrenbossen, De Lustige Kegels heten ze in mijn gedachten, dat er in het jaar 1999 tijdens de Lothar Storm veel van deze bomen zijn gesneuveld. De Lothar schijnt – op de valreep – de zwaarste storm van de 20ste eeuw te zijn geweest. In Europa zijn toen 300 miljoen bomen omgegaan.
Dat zijn dingen waar ik me niet veel bij kan voorstellen. Ten eerste wist ik helemaal niet dat stormen ook namen krijgen, ik dacht alleen orkanen; ten tweede: hoeveel is dat 300 miljoen, uitgerekend in bomen? Hoeveel kasten zijn dat, hoeveel meter papier, hoeveel lucifers? Hoeveel dagen kun je lopen tussen 300 miljoen bomen als die allemaal 5 meter van elkaar afstaan? Volgens mij krijg je dan een bos van 86,6 kilometer lang en 86,6 kilometer breed. Dat is ongeveer de afstand van het Amstelstation te Amsterdam naar de Parade in ’s Hertogenbosch, en dan in het kwadraat. Bij vijf kilometer per uur ben je dus 17,3 uren aan het lopen alleen al om er recht doorheen te wandelen. Laten we zeggen twee dagen. Als je wat gaat zigzaggen worden dat al snel twee weken, inclusief rust op zondag, want in de Alpen zijn ze heel gelovig. Het zijn in elk geval heel erg veel bomen.

Voor de Zwitsers was de kerststorm van 1999 de zwaarste sinds de storm van 27 februari 1990. Bij dezen 'Jahrhundertsturm' zijn op de grote Sint Bernhard windstoten gemeten van 270 kilometer per uur en werd vijftig vierkante kilometer bos volledig verwoest. Op 23 februari 1967 woedde daar in Zwitserland ook een Jahrhundertsturm met in Zürich windstoten van 125 kilometer per uur. Ook deze storm maakte deel uit van een serie die Europa in die periode trof. De kerststorm van 1999 heeft het aantal Jahrhundertsturmen van de 20ste eeuw op drie gebracht. De Zwitserse onderzoeker Christian Pfister heeft aangetoond dat in de afgelopen vijfhonderd jaar elke eeuw minstens één extreme storm (Jahrhundertereignis) heeft opgeleverd. Uitzonderlijk in Zwitserland waren de stormen in oktober 1562, januari 1645, januari 1739, februari 1879, februari 1967, februari 1990 en december 1999. De twintigste eeuw heeft er dus drie opgeleverd. Toch kan op basis van deze gegevens, zegt hij, niet worden geconcludeerd dat het aantal zware stormen toeneemt. Een uitvoerig onderzoek van Schliesser (1997) daarentegen toont aan dat het aantal dagen met grote windsnelheden in Zwitserland sinds 1864 iets afgenomen is.

Met zulk een informatiestroom kom ik dus heel makkelijk de berg op. Het heeft zo zijn voordelen als je in contact staat met de natuur. Terwijl we zo naar boven schuiven via het dradennetwerk van de kabelbaan, van kabelstationnetje naar kabelstationnetje, gaan deze zaken opnieuw door mijn hoofd want je ziet hier werkelijk de gevolgen van die storm nog steeds.
Gisteravond voor het slapen gaan las ik in een oud nummer van Natur+Mensch, dat de orkaan Lothar (wat is nou het verschil tussen een orkaan en een storm?) veel onderzoekers die in de bosbouw werkzaam zijn op scherp heeft gezet. Wat staat er te gebeuren op alle aangetaste hellingen? In hoeverre kan men nog rekenen op bescherming tegen lawines? En hoe ontwikkelt de natuur zich, als er opeens grote kale plekken in het bos zijn ontstaan?
Het Zwitserse Instituut voor bos-, sneeuw- en landschapsonderzoek (WSL) is een 'Lotharprojekt' gestart. De gevolgen van de schade zullen worden onderzocht; het verloop van het natuurlijke herstel van het bos zal worden gevolgd. Tot dusver heeft het onderzoek een aantal feiten opgeleverd.
Ook beschadigde bossen bieden nog wel bescherming tegen lawines. De omgewaaide bomen en hun wortelstelsels geven voorlopig voldoende structuur. Als de bomen uiteindelijk zullen verrotten, neemt die structuur geleidelijk af, maar nieuw bos heeft dan intussen de gelegenheid gekregen om op te komen. Het is dus niet zo, dat al het waaihout onmiddellijk geruimd dient te worden. Steile hellingen met stormschade zijn kwetsbaarder (en bieden dus ook minder bescherming) dan flauwere hellingen. Verder is ook de hoogteligging van het beschadigde bos van belang: hoe hoger je komt, hoe eenzijdiger het karakter van het bos. Op grote hoogten bijvoorbeeld groeien alleen sparren. Dit gebrek aan variatie schijnt die bossen ook kwetsbaarder te maken.
Dan is er nog iets. De door de storm ontstane open plekken bieden uit het oogpunt van de natuur enorme mogelijkheden want veel soorten planten en dieren krijgen door de plotselinge toename van lucht en licht een interessante biotoop. Het dode en rottende hout vormt bovendien een rijke voedingsbron voor nieuw bodemleven. Maar aan die extreme toename zullen ook negatieve aspecten van verandering kleven, zoals de explosieve groei van de populatie van het schadelijke kevertje, dat luistert naar de naam ‘letterzetter' oftewel de Ips typographus. Dit is een soort kever die gangen graaft onder de bast van een spar totdat deze loslaat en de boom afsterft. Dat letterzettertje is trouwens de reden dat er tussen 1 juni en 1 oktober nergens in Europa geveld of ongeschild hout van de Piceasoort (spar) mag blijven liggen.
Misschien is het een mooi idee om een artikel te schrijven over hoe dieren en planten aan hun naam komen? Of een sprookje, dat zou nog beter zijn. De letterzetter en het drukkertje, het schrijvertje en het inktplantje, het goudhaantje en het leeuwenbekje. Niets is zo mooi als namen, en bij mensen zij ze soms nog mooier. Mevrouw Vliegerman of Herr Von Himmelblau of Madame Circonflexe. Ik zou ze het liefst willen verzamelen die namen, door ze met inkt in een heel mooi gouden boek op te schrijven en te bewaren. Ik zal beginnen met Eleanor Rigby en Father McKenzie.

Michel Lafaille

Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden