Zwerven tussen Sevilla en Córdoba

Het land van de leeuwerik

Daar waar de Rio Guadalquivir de machtige steden Sevilla en Córdoba met elkaar verbindt, ligt het land van de leeuwerik. Een vruchtbaar heuvelland vol korenvelden en groenteakkers. Waar de mensen de kunst verstaan onzichtbaar te blijven. Misschien hebben ze dat van dit kleine vogeltje geleerd en afgekeken. De leeuwerik die zichzelf en zijn nest op de grond zo goed kan verbergen dat hij onvindbaar blijft. De leeuwerik die pal voor onze auto opvliegt en ons uitdaagt hem recht omhoog te volgen. Hij hangt dan hoog in de hemel te zingen, als een grootmeester, wel 50 of 100 meter hoog; in tegenstelling tot de nachtegaal, die andere dichtersvogel die zich in het donker van de nacht verschuilt, manifesteert de leeuwerik zich in het zonnelicht van de dag.
Zoals de zwaluwen gieren in onnavolgbare duikvluchten boven de oude stadscontouren van het magnifieke Sevilla, Córdoba of Granada, de flamingo’s dansen over de waterspiegels van de natuurgebieden in de rivierdelta en de havikarenden traag rondzweven tussen de bergen van de Sierra Nevada, zo heeft de leeuwerik hier domicilie gekozen op het platteland en meer bepaald in het gebied van het rivierbekken.
Leeuweriken houden van open gebieden met lage begroeiing en daar heeft deze landstreek alles van weg met haar vruchtbare landbouwgronden die eeuwen geleden al gevormd zijn door de Rio Guadelquivir.
Deze rivier domineert heel Andalusië en voegt zowat alle grote steden aaneen door haar bijrivieren, de Guadalimar, de Guadiana Menor en de Genil. Guadalquivir komt uit het Arabisch en wil zoveel zeggen als grote rivier (Guad-al-Quivir). Deze ontspringt in de Sierra de Cazorla, vloeit door het Parque Nacional de Coto Doñana en mondt uit in de Atlantische Oceaan. Het waren de Moren die een fijnmazig netwerk van bevloeiing en bewatering hebben ontwikkeld en aangelegd waardoor Andalusië tot ontwikkeling en rijkdom is gekomen. Deze rijkdom leidde vervolgens weer tot culturele ontwikkeling.

Andalusië, met zelfbestuur sinds 1981, is altijd een historische schakel tussen de Arabische wereld en het westen gebleven. Men voelt er nog de overeenkomsten met het islamitische rijk van de Almohaden. In de gesproken taal vliegen de woorden met kracht uit de mond naar buiten en gaan steeds gepaard met nadrukkelijke handbewegingen, die – de vingers altijd omhoog, de vingertoppen bij elkaar –sierra morena, het gezegde in de eeuwigheid lijken te boetseren. Andalusië is voornamelijk agrarisch. Men spreekt heel concrete zaken, tastbaar en aards. Men spreekt over de rijpheid van de gewassen, over de tijd die nog rest tot de oogst. Men spreekt af op welke akker morgen gewerkt wordt. Hier in de laagte verbouwt men graan, groenten, zonnebloemen, tabak en katoen. Verderop staan de citrusboomgaarden en de vijgen. Hogerop, op de vegas, bevloeide vlakten tussen de bergketens, liggen olijf- en amandelbossen. Nog veel verder, helemaal bij Córdoba, boven op de heuvels wordt er kurk gewonnen in de Sierra Morena. Die is helemaal begroeid met kurkeiken en bij de eerste ontmoeting is dat schrikken van al die boomstammen die tot de kruinen kaal staan, zo mager als schapen zonder vacht. In die eikenbossen lopen de zwijnen zich dik te eten aan de eikels en dat levert weer de beroemde pata negra, de ham onder de hammen.

Wie van Sevilla naar Córdoba reist zal daar vroeg of laat aankomen, naar gelang de route die men kiest. Er is sinds enkele jaren de met Europese steun aangelegde snelweg die dwars door het land snijdt en punt A met punt B verbindt, er is de eeuwenoude provinciale route die het spoor van de rivier volgt en meedraait en er zijn de landweggetjes, dan weer eens aan deze kant van de rivier, dan weer aan gene. Dit land is verleidelijk en verlokkelijk. Dus naar gelang de tijd waarover men beschikt kan een koers worden uitgezet, maar let op, het duurt altijd langer dan u dacht want zelfs de snelweg is seduisant. Het mooist is een combinatie van de drie wegen. Het is goed om vanuit Sevilla eerst naar Carmona te gaan, een tochtje met de snelweg. Een landerig stadje met 25.000 inwoners die ook hier weer de kunst verstaan zich altijd ergens anders op te houden waardoor de straten leeg lijken. Witte huizen, rode pannen, dit is het Spanje waarvoor u kwam, het bestaat echt. Enkele kerken, een klooster en het onvermijdelijke Alcázar. Als u de kans hebt hier te overnachten doe dat dan in het Parador, gevestigd in het Alcázar del Rey Don Pedro, een oorspronkelijk moors fort op het hoogste punt van de stad gelegen. Dit indrukwekkend weids uitzicht is een van die om-nooit-te-vergeten-momenten. Het is een van de weinige belevingen waarin men met de echte stilte in aanraking komt. De geluiden rondom u, van uzelf, de kinderen, de scooter die langsflitst zullen verstommen en alle aanacht zal alleen maar gaan naar het land welk zich groots en prachtig vertoont met een adembenemende kwetsbaarheid.
Als u zich kunt losrukken, vervolg dan uw weg via de provinciale weg naar de rivier en de naastliggende route. Ga langs de stadjes Palma del Rio en Almodóvar del Rio, waar u ook de provinciale route kunt verlaten en via smalle weggetjes door de heuvels naar Córdoba kunt verder reizen.

Hoe sterk kan een land iemand inspireren? Hoeveel dragen we ervan met ons mee als we een streek hebben bezocht en daarna weer verder trekken? Hoe lang blijft het bij ons of hoe snel vervaagt het? Of komt het pas heel langzaam te voorschijn, eerst in kleine herinneringen en later, soms jaren erna, als een groot weemoedig verlangen? Als ik aan het land van de leeuwerik terugdenk, dan overvalt mij die zwaarmakende melancholie, die lijkt op een parfum die de geest bedwelmt, al het andere als onbenullig laat verdwijnen om nog slechts uitsluitend die ene en verre herinnering van dat bezoek te laten bestaan en te verheerlijken. Ik zie weer dat cafeetje terug, ergens onderweg gelegen, waar ik buiten op het pleintje voor het koffiehuis een paar mooie witte oleanders fotografeerde die als straatboompjes waren aangeplant. Binnen in de luwte van het café speelde zachtjes de radio een heel droevig lied.
Ik ga ginder wonen
Ik ga ginder leven
Ik ga hier weg
Hier heb ik zoveel moeten huilen

Het gaat over een vrouw die weg wil uit haar dorp, gezongen door een zo typisch Spaanse stem, die alle leed van de wereld in zich draagt. De mensen aan de tafeltjes zitten stil voor zich uit te kijken, alsof ze zich herkennen in het lied. Het is vooral het einde dat mij frappeerde, waarin de paradox van het leven zelf zo treffend is verwoord.
Als ik ginder woon
Als ik ginder leef
Kom ik hier terug
Hier waar ik zo eenzaam ben geweest

De tocht gaat weer verder langs de mooie vruchtbare akkers en de weilanden waar hier en daar een stier met strenge blik staat te staren. Een echte dan, niet zo’n namaak silhouet. Want we zijn hier immers ook in het land van El Cordobés, een van de beroemdste stierenvechters ooit. Het verhaal vertelt hoe hij als jongen hier door de velden zwierf om met de stieren te oefenen. Het zou te ver voeren om hier het leven en de loopbaan van deze, bij het grote publiek misschien beroemdste torero uit de zestiger jaren te beschrijven. Vaak wordt verondersteld dat El Cordobés een exponent was van het Francoregime. Het was daarom des te verrassender dat hij door sommigen juist gezien werd als iemand die door zijn ongedisciplineerde gedrag juist tegen de dictatuur inging. Hij vocht niet met de stier, hij daagde ze uit. Met de opkomst van dit idool werd de hoofdrol in de arena verlegd van de stier naar de stierenvechter.
Het blijft me fascineren en inspireren waarom de schijnbaar kleinste en onbelangrijkste details zo apart in het geheugen gegraveerd blijven staan, terwijl de historisch cultureel belangrijke onderdelen van een dergelijke reis versmelten tot een abstract kluwen met fragmenten van kloostermuren, kerktorens en kasteelkantelen. Natuurlijk stond er in Palma del Rio een mooie Iglesia (kerk) de la Asunción, met een bijzondere toren met blauwgekleurde azulejos (tegeltjes). Dat weet ik weer als ik de foto bekijk die mij eraan herinnert, of het lees in een notitie of reisboek. Maar het zal nooit zo spontaan opkomen in de geest als de klank van een afgeluisterd en onbegrepen gesprek in een tankstation of als het gevoel van verlatenheid op een stille parkeerplaats.
Zomaar opeens, daar waar twee wegen elkaar kruisen, staat een lantaarnpaal en een klein stenen huisje dat er gesloten uitziet. In de berm ernaast staat het vol met cactussen die al aardig staan te bloeien. Verderop bevinden zich enkele bomen, ooit door iemand met een bepaalde bedoeling, die nu al lang vergeten is, in een dubbele rij geplant; waardoor er tussen de inmiddels grote stammen een ruimte is ontstaan die gebruikt wordt als een soort terras. De forse boomkruinen van deze balsempopulieren werpen zware schaduwen op de grond. In die donkere schaduw, waar het altijd koel blijft, staan twee vrachtwagens bij elkaar. De metalen carrosserie is mooi rondgebogen en heeft een diepe roodbruine kleur. De koplampen staan erop gemonteerd zoals je vroeger wel eens zag in oude Amerikaanse films. Tussen enkele in de grond geslagen palen hangt een draad met gekleurde lampjes. Is er een feest geweest of is er vanavond misschien een feest? Er is niemand om het aan te vragen, zij die hier wonen zijn allemaal weg. Misschien zijn het die mensen die daarstraks, een kilometer of drie terug, voorovergebukt naast elkaar, op het veld stonden te werken. Als ik hier blijf wachten kan ik ze straks weerzien, want ze komen hier vanavond zeker terug. Maar wat te zeggen? Hoe op te gaan in hun beslotenheid die zich heeft gevormd doorheen het ritme van de dag, waar ik geen deel van ben of zelfs nooit deel van kan worden. Ik kijk rond over de velden van dit landschap; zo ver het oog kan kijken. Het is alsof er twee kleuren bestaan in deze wereld; het blauw van de hemel en het goud van de akkers. Pas als je langer kijkt komen er andere kleuren in beeld. Het zilvergroen van de bomen, het rood van de klaprozen. Later zal ik me ook het wit van de huizen en het geel van de bloeiende dille herinneren. Het zal dan veel moeite en concentratie kosten om terug te gaan in het hoofd naar deze warmte en deze kleuren, naar deze alomvattende rust, naar de eenvoudige schoonheid en werkelijkheid van dit landschap. Puur en zuiver. Het is moeilijk die warme lucht weer te laten trillen en weer te voelen hoe het was om over die smalle landwegen te rijden, zwervend zoekend naar een teken van leven, een dorp, enkele huizen bij elkaar. Een cafeetje dat als stopplaats kan dienen. Alles is alleen nog maar herinnering. Terwijl ik dit schrijf hoop ik dat de telefoon niet gaat of niemand mij roept want dan zal ik onherroepelijk uit deze gevoelens getrokken worden waarin ik mij nu bevind en die mij zo levendig voorkomen alsof ze voor het eerst plaatsvinden.
Ik weet precies waar het te vinden is, ik zou u er zo heen kunnen leiden.

Michel Lafaille
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden