Magnolia’s in de stad

Musea van Frank O. Gehry

Een derde Europees museum van de Amerikaanse architect Frank O. Gehry (1929) is in 2005 geopend. Alle drie zijn ze als gebouw even verbazingwekkend, alle drie als museum even vernieuwend en vóór de troepen uitlopend. Het zijn drie wonderen, de één al opzienbarender dan de ander. Dat moet voor hem zelf wel heel vervreemdend voelen want wie kan er drie wonderen in één continent bouwen. Het eerste was het Vitra Design Museum in Weil am Rhein bij Bazel, op de grens tussen Duitsland en Zwitserland. Dat opende 3 november 1989. Toen kwam het Guggenheim te Bilbao in Spanje. Dat was 19 oktober 1997. Als derde volgde op 7 mei 2005 het Marta Herford, een museum in het kleine stadje Herford bij Bielefeld in Duitsland.
Alle drie liggen ze verleidelijk in hun omgeving. Ze lonken naar de stad en de voorbijgangers. Het zijn net grote bloemen van de magnolia, die als een juweel in een glazen kelk op een zwartgelakte Chinese dressoirkast staan. Ze stralen een zoete rust uit en lijken stil te liggen, maar dat is bedrieglijke schijn. Ze kunnen bewegen lijkt het plots. Zelden ziet men gebouwen die zo fragiel en dynamisch tegelijk zijn. Hoe dikwijls men er ook langs loopt of rijdt, telkens suggereren ze net iets te zijn veranderd, iets te gaan verliggen, als een wulpse sculptuur die ietsje op haar andere zij is gedraaid. Dat komt natuurlijk ook omdat ze het licht kunnen vangen. Ze plukken als het ware met hun schuine muren en vlakken elk druppeltje zon uit de hemel en stralen het meer dan duizendvoudig terug.
Zijn het zusters van elkaar? Nichten? Of vriendinnen? Twijfelde u aan hun vrouwelijkheid? U dacht het gebouw, het museum. Wees ervan overtuigd, ze zijn vrouwelijk. Het laatste gebouw heeft zelfs een vrouwennaam, Marta, door de artistiek directeur Jan Hoet (1936) zelf bedacht en gegeven. Musea waren mannelijk vroeger, zegt hij, stoer en macht uitstralend. Maar dat is veranderd, net zoals de mens aan het veranderen is. We zijn meer tweeslachtig aan het worden en gaan meer en meer uit van het gender, van de sociale en culturele kenmerken van de sekse dan van de biologische. Bij de mens is het nog lang niet zo ver, maar het museum is androgyn. De Vlaamse Jan Hoet is altijd een charmant provocateur geweest en lijkt nu hij in het Duitse Herford zijn laatste grote carrièrestap aan het zetten is, nog ludieker dan ooit te voren.

Als men de wil heeft dan is er geld zat, verkondigde Jan Hoet tijdens de openingsplechtigheid van het museum in aanwezigheid van de politiek en de captains of industry. Dat representeert toch wel een daad van moed om zoiets in deze economisch ongewisse tijden te verklaren in het openbaar, en zeker in Duitsland. Maar Jan Hoet lijkt zilveren handen te hebben en die kunnen toveren want hij krijgt weer zaken voor elkaar die niemand hem nadoet. Dat deed hij al in het SMAK te Gent, dat deed hij al als curator van de vijfjaarlijkse Documenta IX (1992) van Kassel, de grootste manifestatie op gebied van de moderne en hedendaagse beeldende kunsten. Het rijpen der jaren?

Frank O. Gehry getuigt van dezelfde rijpheid: zesenzeventig jaar gelden geboren in Toronto Canada. Als genaturaliseerd Amerikaan studeerde hij af als architect in 1954. Hij werkte jaren in Parijs als assistent bij André Remondet. Daar in Frankrijk leerde hij het werk van Le Corbusier kennen welk een onuitwisbare indruk op hem zou blijven uitoefenen. Vanaf 1961 werkt hij in Los Angeles in zijn eigen bedrijf. In 1989 is hij laureaat van de prestigieuze Pritzker Architecture Prize. Een interessant fragment uit het juryrapport vermeldt: „...Alhoewel de prijs wordt uitgereikt voor het levenswerk van de laureaat, hoopt de jury dat meneer Gehry het zal beschouwen als een aanmoediging om zijn uitzonderlijk ‘work in progress’ te continueren, alsook voor zijn bijdrage tot op heden aan de architectuur van de twintigste eeuw”. Einde citaat. Er zijn jury’s en er zijn jury’s, maar deze was toch wel heel vernuftig als u er rekening mee houdt dat geen van de drie gebouwen die u hier op de foto’s ziet al gebouwd was...

De geschiedenissen van die gebouwen vormen aparte en boeiende verhalen, met elk een andere dramatische ontwikkeling. Voor een beter begrip in het kort de aanleidingen.
Het internationale familiebedrijf Vitra is in 1950 in Weil am Rhein aangevangen. Meubelproductie van de grootste ontwerpers uit de wereld, met name op het gebied van stoelen is hun hoofdactiviteit. Charles en Ray Eames, Jean Prouvé, George Nelson en anderen zijn er kind aan huis. In 1981 brandt de fabriek volledig af en Vitra gebruikt dit als aanleiding om vanaf dan heel bewust met architectuur om te gaan. Werkelijk de allergrootsten van de hedendaagse architecten zijn betrokken bij de bouw van telkens één van de delen van de fabriek of de uitbreiding ervan. De Engelsman Nicholas Grimshaw, de Japanner Tadao Ando, de Iraanse Zaha Hadid, de Portugees Alvaro Siza, de Italiaan Antonio Citterio en de Amerikaan Frank O. Gehry. Voeg daar nog een reusachtig kunstwerk van Claes Oldenburg en Coosje van Bruggen aan toe. Het is een groepje om U tegen te zeggen. Pikant detail is dat zij allen voor het eerst in Europa hebben gebouwd op het Vitra terrein. Aan Gehry werd de vraag gesteld een attractief museum of tentoonstellingsgebouw te ontwerpen, welk aan de ingang van het gebied zou opgericht worden. Het resultaat is een prachtig licht gebouw wat maar niet op de grond wil blijven liggen maar de indruk geeft telkens de lucht in te willen springen. Vele thematentoonstellingen zijn er sinds de opening in 1989 geweest en het schijnt telkens een feest te zijn daar te kunnen exposeren. Het Vitra museum staat als een van Europa’s belangrijkste plaatsen voor het hedendaags design bekend.
Er was dus een duidelijke vraag vanuit een commerciële sector om een gebouw te ontwerpen welk meer zou dienen bij te dragen dan slechts een mooi omhulsel te zijn van een fabriek en een showroom.

Op een nog veel grotere schaal kwam een soortgelijke vraag uit het Spaanse Bilbao. De hoofdstad van het Baskenland had geen moderne uitstraling, de economie ging slecht, er kwamen geen toeristen, er was de voortdurende politieke en militante spanning. Kortom, een industriestad op zijn retour. Gehry heeft daar een soort ruimteschip neergevleid langs de rivier, welk een nieuw en dynamisch hart aan de stad heeft gegeven. De stad is als het ware wat gedraaid naar het gebouw toe.
„It takes more than one building to chance a city”, verklaart Gehry nu steeds zeer bescheiden, nadat hij de andere partijen uitgebreid heeft horen praten over het Bilbao-effect. Want iedereen wil nu het Bilbao-effect. Iedere stad of gemeente belt de heer Gehry voor het Bilbao-effect. Na de opening van zijn gebouw, waar een afdeling van het beroemde Guggenheim Museum uit New York in kwam, veranderde de stad compleet. In één jaar tijd kwamen 1.400.000 bezoekers naar het Guggenheim Bilbao. Natuurlijk heeft Gehry gelijk, maar hij kreeg het stadsbestuur, de regering van Baskenland, de Spaanse regering en de Europese Unie tezamen zover dat er fors werd geïnvesteerd in een uitgebreid infrastructuurnet en dat er nog andere moderne en bekende architecten werden aangetrokken, zoals Sir Norman Foster die de Metro Bilbao ontwierp. Kwam het door het moment, door de samenloop, of door het gebouw? Althans door de gedachte aan het gebouw, de droom, het project, het realiseren van iets onmogelijks, waar iedereen aan wilde meewerken? In elk geval is het resultaat te bewonderen en vervult het gebouw in de stad Bilbao nog steeds die functie van landmark.

Het derde verhaal sluit weer aan bij het eerste. De meubelindustrie in het Duitse provinciestadje Herford is van wezenlijk belang, met alle toevoerindustrie voor de hele economie van de streek. Men zocht een gebouw waarin het Kunstzentum onderdak zou kunnen krijgen, een ontmoetingsplaats tussen kunst en design, waaruit de nodige kruisbestuiving zijn werk zou kunnen doen. Gehry begon, nog niet wetend dat Jan Hoet later zou worden aangetrokken en het gebouw daardoor alleen maar een nog groter en diepgaander programma zou krijgen. Hier is een statement van Gehry interessant, uit een speech in 1980 voor de editie van Contemporary Architects. Gehry zegt daarin „Ik benader elk gebouw als een beeldend object, een ruimtelijke container, een plek met licht en lucht, een antwoord op inhoudelijke samenhang en geschiktheid voor gevoel en geest. Naar deze container, deze ruimte, brengt de gebruiker zijn bagage, zijn programma mee en hij heeft er een wisselwerking mee om er zo zijn behoeften in aan te passen. Als hij dat niet kan, dan heb ik gefaald.”

Natuurlijk zijn er genoeg criticasters... Is dit nog wel architectuur, hoort men ze vitten. Hij doet maar wat, murmelen ze, het heeft nergens iets mee te maken... Hij gooit wat blokken in de lucht en kijkt hoe ze neervallen, puur geluk... Naar gelang Gehry meer en belangrijker bouwt verstommen die stemmen vanzelf, want hij kan moeilijk elke keer puur geluk hebben. Dat Prins Charles het wel nooit mooi zal vinden, moeten we misschien alleen maar als een compliment aanvaarden. Want als gemeenschap van mensen die naar musea toegaan en er graag in willen ronddwalen, om onverwachts, na elke hoek met ingehouden adem weer verrast te worden en in al die ongekende ruimtes te kunnen rondkijken, moeten wij juist van blijdschap vervuld zijn dat er zulke architecten bestaan. Die vernieuwen en veranderen. Niet veranderen om te veranderen, maar om die spanning om te zetten in het leven. We kennen immers allemaal de parameters van een huis, de parameters van een kerkgebouw, van een fabrieksgebouw, van een theatergebouw. We kennen echter niet de parameters van een gebouw van Gehry. En dat maakt het allemaal zo spannend en succesvol.

Zijn het dus zusters of nichten die drie gebouwen? De ene is een stralend witte zus, door het pleisterwerk aan de buitenkant dat fel contrasteert met het groen van de heuvels rondom Basel. De intellectuelen en kunstkenners staan in de rij. De tweede is de fonkelende en glimmende zus, door het titanium van de ruimtevaart welk haar een contemporaine uitstraling geeft. De amateur fotografen en de schoolkinderen staan in de rij. De laatste is de rode rustige zus, door de aarde kleuren van de klinkers lijkt ze het meest bedaard, terwijl ze de jongste is. De burger en de nieuwsgierigen staan in de rij.
Alle drie de gebouwen zijn gratiën. Ze zijn sierlijk van vorm en stralen optimisme uit. Ze dansen. Het zijn alle drie plekken waar de kunst, zelfs met de grote k, tot haar recht kan komen. Het zijn gebouwen met een paukenslag.

Michel Lafaille

Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden