De trap van Málaga

Die avond in het donker heb ik er nog een heel lang naar staan kijken. Het beeld ziet eruit als een oud verhaal, een sprookjesvertelling met toverlichtjes, die flonkeren en flikkeren. De nacht is gevuld met een warme en kruidige lucht en ik voel het leven overal bewegen. Ik weet dat er daar beneden, honderdduizenden mensen zijn, in straatjes en in kamertjes, op pleinen en in cafés. Ze kijken televisie, ze praten met elkaar. Ze hebben dromen, ze denken aan morgen. Ik zie ze niet maar ik weet ze. Ik zie wél al die autolichtjes die verroeren en die deel uitmaken van dat grote lichaam dat daar beneden ligt te ademen als een groot beest. Ik zie ze bewegen, maar ik hoor ze niet. Alleen af en toe, stijgt er een fragment van een politiesirene op, om weer te verdwijnen in de nacht. De haven is vlakbij.

Nu, zo laat in deze avond, na een Spaans souper dat pas afloopt als zelfs de stoelen moe zijn geworden, lijkt de stad zo kwetsbaar. Ik kijk nog eenmaal naar beneden voor ik het hotel betreed en zie dat alles wat de stad voorstelt en alles wat van de stad deel uitmaakt, bij elkaar is gekomen en is versmolten tot een broos geheel. Breekbaar, maar niet zwak. Fragiel, maar in zijn wil niet te breken.
Hoeveel mensen hebben er hoeveel jaren over gedaan om deze stad te bouwen en te vormen, tot het levend geheel dat zij nu voorstelt. Het is zonder afspraak gebeurd, zonder bevel, zonder hogerhand. Toch heeft het plaatsgevonden door het leven en het werken van die miljoenen mensen, in de loop van die duizenden jaren. Eerst was er de handelspost Malaca (malac=zout) van de Feniciërs, toen Mainake van de Grieken, vervolgens Malacitanum van de Romeinen, nu noemen we het Málaga. En altijd waren er mensen die bouwden en verbouwden, die organiseerden en handel dreven. Schepen kwamen met vreemde waren, boten voeren naar Tanger, Marokko, Genua en de Canarische Eilanden. Zou dat allemaal alleen maar gebeurd zijn om uiteindelijk samen te vloeien in dit eigenste moment, hier en nu, terwijl ik hier sta aan de rand van de Monte de Gibralfaro? Zodat ik kan kijken naar dat alles en kan beschouwen wat hier speciaal voor mij en mij alleen bestaat?

Nee allicht niet, en ik glimlach flauw bij de gedachte dat het toch wel erg mooi zou zijn geweest als het wel zo was. Dan had het allemaal een reden gehad, tot zelfs mijn eigen aanwezigheid hier. Is dat niet wat veel mensen zoeken en geloven te vinden op zulke momenten? De beleving van dit moment is wel heel sterk. Dat komt waarschijnlijk omdat ik nu als één geheel kan overschouwen wat zich vanmiddag in delen aan me liet zien. Ik liep toen het hotel uit en wou naar beneden, naar de stad. Het hotel ligt naast het Castillo del Gibralfaro, van het Arabische woord Yabal (berg) en het Griekse afgeleide van Faruh (vuurtoren). Inderdaad een vesting en versterkte burcht vanaf de 14de eeuw. De geschiedenis is indrukwekkend en fascinerend en in het kasteel zelf in een uitvoerige expositie ten toon gesteld, met minutieuze maquettes.
„Met uw eigen auto duurt het heel lang voor u een parkeerplaats hebt gevonden, met de taxi duurt het tien minuten en te voet ongeveer twintig”, beantwoordde de hotelconciërge mijn vraag. „Ik zou u het laatste aanraden” voegde hij er aan toe. „De weg naar beneden is eeuwenoud en altijd een verbinding geweest tussen het Castillo hiernaast en het Alcazaba beneden in de stad. De oude trappen kunnen niet meer gebruikt worden maar er is een nieuwe trap aangelegd, pal ernaast. U overziet de stad tijdens de afdaling en komt één voor één de prachtigste verrassingen tegen. Onvergetelijk”.
Ja, die hotelconciërges...

Natuurlijk ben ik te voet gegaan, want welke stad kun je per trap naar beneden lopend bereiken? Ik zal inderdaad verbluft worden door die hoeveelheid hoogtepunten die als met een revolver op mij afgeschoten worden. Deze stad houdt van het buitengewone. Ik was gisteren op zoek naar een autogarage voor mijn kapotte uitlaat en werd naar het dak van een winkelcentrum gestuurd. Daar, boven op de vierde verdieping werd de auto opgekrikt. Men vindt hier het extreme prettig gewoon. Dat is schijnbaar een typische eigenschap van deze vrolijke stad, die je de hele tijd verbaasd doet staan. Wie ooit een documentaire over Picasso heeft gezien en zijn pretoogjes heeft zien glimmen, begrijpt dat nu onmiddellijk als ik zeg dat hij in Málaga is geboren. Een eigenschap die hij in zijn lange leven niet is verloren of heeft verloochend. Vorig jaar is er een nieuw museum Picasso geopend in Málaga en toen ik de portier vroeg of ik de tuin mocht fotograferen, antwoordde hij dat het niet kon maar dat ik wel een foto van het naambordje mocht maken zonder te hoeven betalen. Zijn toon was zo ernstig dat ik geloofde dat ze daar met de staf uitgebreid over hadden vergaderd, maar die ogen...

Eerst dan maar naar het Castillo, waar de trap begint die naar de stad beneden voert. Naast de al vermelde tentoonstelling vallen hier een paar zaken op, waar bijzondere aandacht aan besteed is bij het behoud van dit monument. Het hele binnenterrein van het immense kasteel is als een wat wilde tuin vormgegeven, waarin twee plaatsen zijn verbijzonderd. Achterin is dat de ruimte rondom de oude waterput, die helemaal leeg is gehouden op een oude boom na. Die lijkt er altijd al gestaan te hebben, zo mooi ‘pakt’ hij de ruimte. Het horizontale streepje van de stenen bank is het enige wat nieuw aandoet. De tweede plek is bij de ingang van de expositiezaal, waar een kleine Moorse tuin is aangelegd. Wat water, haagjes eromheen en de symmetrie door de plaatsing van enkele gebakken potten. Heel eenvoudig, maar met een grote aantrekkingskracht. Iedereen wordt erheen gezogen, er ontbreekt zelfs een bord of richtingwijzer naar de tentoonstelling; voor je het weet sta je er al.
De oude kantelen zijn natuurlijk fabuleus. Je kunt er uren verblijven om naar omlaag te staren, naar de details van de oude stad daar beneden. Op één plaats is de kanteelgang helemaal opnieuw aangelegd en voorzien van een soort pergola. De kanteelmuur zelf vormt een immense stenen bank van klinkers. Je zou er horeca verwachten maar je vindt er alleen maar rust, geprononceerd door de immense palen van de pergola.
Aan de ene kant van het kasteel kijk je de stad in met die duizenden huizen en flats, die honderdduizend raampjes waarachter het private schuilt. Er wordt nog altijd gebouwd, overal tussenin staan draaiende hijskranen. Aan de andere kant van het kasteel ligt de Middellandse Zee, met de wijk Malagueta die als een schiereiland het water insteekt en toegang geeft tot een lange pier waar de cruiseschepen aanleggen. Het doet denken aan de wijk Barceloneta in Barcelona, die volkse wijk die ook de zee insteekt en zelfs een eigen zandstrand heeft. Zo’n strandje is hier tussen de flats ook te ontdekken en het is een vreemd gezicht dat er zoveel mensen liggen te zonnen en te vakantieën, terwijl iets verderop de industriële kant van de haven ligt waar ijverig wordt gewerkt. Barceloneta is echter veel ouder en heeft een eigen geschiedenis; was altijd de huisvestingsplaats voor een volk van vissers, zeelieden en havenarbeiders die voor een havenstad noodzakelijk zijn. Een trots en onafhankelijk volkje. Voeg daar wat vluchtelingen, rovers en bandieten aan toe en ziedaar de reden waarom Filips van Bourbon begin 18de eeuw aan de Vlaamse ingenieur Prosper Verboom de opdracht gaf Barceloneta zo in een grid te bouwen dat de straten in het schootsveld van het fort en de citadel lagen. Zou dat hier in La Malagueta ook gebeurd zijn? Ik kijk van hier boven binnen in de open arena van de stierenvechters en zie het oranjegele zand erbij ligt. Geen toreador of matador te bekennen. Er gaat iets heel verleidelijks uit van die ronding. Door die typische architectuur en de kleur van het zand hoor je als het ware het duizendkoppig publiek tot hier boven roepen en jubelen.
Ik zet de afdaling in en kijk ondertussen naar de bewegingen in de haven daar ver onder me. Die haven van Málaga heeft ook mooi verhalen. Een ervan is die van het Paseo del Parque, het stadspark dat eind 19de eeuw bij een stadsvernieuwing werd aangelegd. Het is vandaag moeilijk voor te stellen dat de zee veel verder de stad binnenkwam en daar waar eens de golven sloegen nu een langgerekt park ligt waar op zondag duizenden families komen om te flaneren, elkaar te ontmoeten of naar muziek te luisteren. Middenin ligt zelfs een openluchttheater, zoals dat in elk gedegen Spaans park schijnt te horen. In het park staan de meest vreemdsoortige bomen die vanuit de hele wereld werden aangevoerd als geschenk aan deze vriendelijke havenstad. Zo wil het verhaal het althans.
Van hier boven zie je de dichte massa van de bomen goed liggen en het moet inderdaad heerlijk zijn om daar straks in die beschutting tegen wind en zon te vertoeven. Hier op de flanken van de berg is het zinderend warm. Dat hier een constante warmte heerst is ook duidelijk te merken aan de flora. Op de open plekken tussen de Pinussen staan cactussen in allerlei soorten door elkaar te bloeien. Het gras is al verdroogd en dor. De tegenstelling met wat beneden te zien is wordt met het afdalen steeds duidelijker. De eerste tuinen verschijnen met prachtig exotische bloemen en klimmers. Tijdens het verder afdalen verschijnt de grote rotonde van het Plaza General Torrijos wat gedetailleerder in beeld en vormt met zijn onberispelijk gazon en zijn scherpe borders met éénjarigen gegroepeerd rondom de blauwe fontein, een waar culminatiepunt van culturele eruptie. Het lijkt of al die autootjes enkel en alleen voor hun plezier een extra rondje eromheen rijden voor ze weer in de stad verdwijnen. Ook in de naastgelegen boommassa van het park begint zich nu kleur en structuur af te tekenen. De aparte individuen worden herkenbaar: Jacaranda, plataan, palm, banaan, olifantsoor, vijg, ze zijn er allemaal. Maar ook de gebouwen gaan nu spreken. Eerst waren ze enkel onderdeel van de stad, nu wordt de stad een verzameling afzonderlijke gebouwen. Tijdsaanduidingen, tekens van conjunctuur, stijlen in de cultuurontwikkeling. Ik zit even stil op een bankje want dit is werkelijk een bijna historische roman.
Dan, even plots als de trap begon, heeft hij zich opgelost in de stad. Het is gek te bedenken dat er een volledig nieuwe trap is gebouwd naast de oude, enkel en alleen om de oude als historie te bewaren. Als we dat met alles gaan doen, hebben we straks een tweede wereldbol nodig. Het probleem van het restaureren of conserveren steekt overal de kop op. Het is echter van groot belang dit soort ervaringsplaatsen te bewaren. In het afdalen merkte ik niet alleen aan mezelf, maar aan verschillende ‘mededalers’ die ik onderweg tegenkwam, passeerde of voorbij liet gaan, dat zij ook genoten van deze weg, deze trap in de geschiedenis. Een mevrouw zweefde blootsvoets, met de pumps in de hand voorbij: ‘Darling I love it’. Wat zou ze van de intieme tuinen hebben gevonden die hier beneden aan het eind van de trap zijn aangelegd? De Jardines Alcade Pedro Ruiz Alonso, een vierdelige tuin, omgeven door een coniferenhaag met vensters die aan de voorbijgangers een verleidelijke glimp tonen van hun paradijselijke pracht. Fonteinen, massa’s bloemen, sinaasappelbomen, eendenvijvertjes, je kunt het zo gek niet benoemen of het is erin verwerkt. Plus een onderhoudsgraad die alles tot in de puntjes en kleinste hoekjes verzorgt. Het is er niet overweldigend druk maar deze tuinen worden wel duidelijk opgenomen in het dagelijks leven van de inwoners van deze stad.
Iets verderop hier beneden ligt de kathedraal met zijn liefelijke tuin, waar ik aangesproken wordt door enkele Spaanse furiën. Ze doen teken met een anjer in de hand. Ze gebaren dat ik de bloem moet aannemen en roepen voortdurend Maria, Maria. Ik denk even dat het misschien een bijzondere feestdag is, een dankdag, en wil niet onbeleefd zijn. Voor ik gracia heb kunnen zeggen gebaren ze echter met het internationale gebaar, door met duim en wijsvinger over elkaar te wrijven en de hand open te houden. Ik ben tijdens de afdaling de trap zo onderdanig geweest voor alle schoonheid en historie van deze stad en deze cultuur, dat ik me nu misbruikt voel. In plaats van boos te worden stop ik met bruusk gebaar de bloem terug en draai me beledigd om. Er staat een bronzen kardinaal tussen de palmbomen naar me te glimlachen en om de hoek maant het standbeeld van Solomon Ibn Gabirol, een elfde eeuws Hebreeuws dichter filosoof, mij tot nederigheid.

Nu, in de late avond van deze onvergetelijke dag, sta ik al die zaken tegelijk te overdenken en voel me erg gelukkig.

Michel Lafaille

Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden